De politiek kan meer doen met minder data als er een betekenisvolle structuur is voor het verzamelen en analyseren van data. We komen om in data. Zoveel data dat we door de bomen het bos niet meer zien. Dat levert weer een nieuw onderzoeksveld op: big data. Die wil trachten meer samenhang te ontdekken in al die data. Met big data krijg je wel meer inzicht, maar nog geen uitzicht op een duurzame toekomst. Het dashboard voor stedelijke regio’s biedt een betekenisvolle structuur voor politieke afwegingen over de transitieopgaven.

Het dashboard heeft als focus de essentiële voorraden die we nodig hebben om toekomstige generaties te voorzien van welvaart en kwaliteit van leven. De transitieopgaven verder brengen is niets anders dan nieuwe essentiële voorraden creëren en de stromen terugdringen die deze voorraden ondermijnen. We bouwen wind- en zonneparken, ontsluiten de ondergrond met geothermie, leggen warmtenetten aan. Als we er niet in slagen om de energiebehoefte flink terug te dringen, dan komt er aan het investeren in nieuwe energiebronnen en infrastructuren geen einde. Hetzelfde geldt voor stikstof- en fosfaatemissies en het bestrijdingsmiddelen gebruik. Een Natura 2000 netwerk voorkomt niet dat de biodiversiteit afneemt als die stromen niet substantieel verminderen.

Essentieel is een goede balans tussen investeren in nieuwe voorraden en het terugdringen van stromen die leiden tot achteruitgang van voorraden. Tussen economische groei, kwaliteit van leven en ecologische draagkracht bestaan positieve en negatieve terugkoppelingen. Investeren in de energietransitie, klimaatadaptatie en duurzame mobiliteit versterkt het vestigingsklimaat en de kwaliteit van leven. Er zijn ook negatieve effecten voor de gezondheid en biodiversiteit. Transparantie over deze positieve en negatieve effecten biedt de politiek handvatten voor het stellen van doelen en het maken van keuzes.

De ambitie is om het dashboard te beperken tot twaalf indicatoren voor elk van de drie onderdelen van het dashboard: economisch vestigingsklimaat, kwaliteit van leven en ecologische draagkracht. De kunst en uitdaging is om de juiste indicatoren te selecteren die de belangrijkste samenhangen en hefboomwerking laten zien. Dat kan als de keuze van de indicatoren in een maatschappelijke dialoog met wetenschap, politiek en publiek tot stand komen. De regio is het juiste schaalniveau voor het integraal afstemmen van de transitieopgaven. Elke regio is verschillend en kent zijn eigen dynamiek. Per regio kunnen de indicatoren verschillen. Het dashboard is flexibel en biedt de mogelijkheid om per regio andere keuzes te maken en accenten te kiezen.

Peter van de Laak
7 juni 2019

De energietransitie, duurzame mobiliteit en circulaire economie zijn de nieuwe uitdagingen. De stedelijke regio is daarbij een cruciale actor. In veel regio’s ontbreekt weliswaar een eigen regionale autoriteit, maar elke regio heeft wel haar eigen kenmerkende economische sleutelactiviteiten, (infra)structuur en interactie met het achterland. Afwegingen en besluiten over energietransitie, mobiliteit en circulaire economie dienen op die structuur en dynamiek te zijn afgestemd.

In de publicatie ‘Dashboard voor stedelijke regio’s’ is het idee van een dashboard als kompas voor duurzame ontwikkeling toegelicht en uitgewerkt. We zijn nu op zoek naar een pilot. Het doel is het ontwikkelen van een operationeel geautomatiseerd dashboard, waarmee de samenhangen tussen economisch vestigingsklimaat, kwaliteit van leven en ecologische draagkracht zijn te visualiseren.

Het dashboard biedt een oplossing voor enkele problemen waarmee gemeenten worstelen. Zo is het opstellen van concrete meetbare doelen vaak geen eenvoudige opgave. Bestuurders en burgers hebben er verschillende ideeën over, want de belangen kunnen erg uiteenlopen. Het dashboard maakt het mogelijk om de discussie over doelen te structuren.

Informatie over de economie en sociale staat van de stad, milieu en natuur is veelal versnipperd en onvolledig. Het is niet altijd duidelijk welke informatie bruikbaar is voor het monitoren van de doelen van de gemeente. Het dashboard helpt om een betere structuur aan te brengen in de informatievoorziening.

De ambitie is om het dashboard te automatiseren. Het verzamelen van de benodigde informatie is vaak een hele klus. Veel relevante data is beschikbaar in diverse databases bij o.a. omgevingsdiensten, provincie en CBS, maar niet altijd toegankelijk. Bovendien zijn meestal nog bewerkingen van die data nodig. Door rekenapplicaties te ontwikkelen, is informatie te ontsluiten en met elkaar te verbinden.

Wil je meer informatie en het boekje ontvangen, neem dan contact op met mij.

Peter van de Laak
06-41979398

De energietransitie, duurzame mobiliteit en circulaire economie zijn de nieuwe uitdagingen. De stedelijke regio is daarbij een cruciale actor. In veel regio’s ontbreekt weliswaar een eigen regionale autoriteit, maar elke regio heeft wel haar eigen kenmerkende economische sleutelactiviteiten, (infra)structuur en interactie met het achterland. Afwegingen en besluiten over energietransitie, mobiliteit en circulaire economie dienen op die structuur en dynamiek te zijn afgestemd.

In de publicatie ‘Dashboard voor stedelijke regio’s’ is het idee van een dashboard als kompas voor duurzame ontwikkeling toegelicht en uitgewerkt. We zijn nu op zoek naar een pilot. Het doel is het ontwikkelen van een operationeel geautomatiseerd dashboard, waarmee de samenhangen tussen economisch vestigingsklimaat, kwaliteit van leven en ecologische draagkracht zijn te visualiseren.

Het dashboard biedt een oplossing voor enkele problemen waarmee gemeenten worstelen. Zo is het opstellen van concrete meetbare doelen vaak geen eenvoudige opgave. Bestuurders en burgers hebben er verschillende ideeën over, want de belangen kunnen erg uiteenlopen. Het dashboard maakt het mogelijk om de discussie over doelen te structuren.

Informatie over de economie en sociale staat van de stad, milieu en natuur is veelal versnipperd en onvolledig. Het is niet altijd duidelijk welke informatie bruikbaar is voor het monitoren van de doelen van de gemeente. Het dashboard helpt om een betere structuur aan te brengen in de informatievoorziening.

De ambitie is om het dashboard te automatiseren. Het verzamelen van de benodigde informatie is vaak een hele klus. Veel relevante data is beschikbaar in diverse databases bij o.a. omgevingsdiensten, provincie en CBS, maar niet altijd toegankelijk. Bovendien zijn meestal nog bewerkingen van die data nodig. Door rekenapplicaties te ontwikkelen, is informatie te ontsluiten en met elkaar te verbinden.

Wil je meer informatie en het boekje ontvangen, neem dan contact op met mij.

Peter van de Laak
06-41979398

De uitzending van Tegenlicht gezien over waterstof? Mooie uitzending, maar wat ik heb gemist zijn de harde cijfers en de feiten. Want laten we wel wezen, er moeten nog heel wat meer windturbines en zonneparken worden gebouwd voordat er in Nederland een overschot ontstaat aan duurzame elektriciteit. Zeker wanneer die kolencentrales dicht gaan. Grootschalige opslag van waterstof is nog ver weg. Voor meer realisme verwijs ik naar de visie van Over Morgen “De positie van waterstof in de energietransitie”.

De economische, sociale en ecologische implicaties van de energietransitie zijn nog niet goed in beeld. Dat is broodnodig voor het maken van de goede afwegingen. De politieke discussie verengt zich tot een discussie over het tegengaan van klimaatverandering. We moeten zeker meer grote windparken bouwen, vooral op zee. We draven een beetje door als we denken dat iedere gemeente wind- en zonneparken nodig heeft. De mogelijkheid is zelfs geopperd om windturbines aan te leggen in natuur- en landschapsparken. De NOVI wordt node gemist.

We moeten ons veel meer druk maken over het substantieel terugdringen van het energieverbruik. Daarmee worden bedrijven en burgers geholpen. Bedrijven versterken hun concurrerend vermogen. Burgers zijn beter af met meer comfort in de woning en geld in de portemonnee. In de uitzending van Tegenlicht werd het voorzien van woningen met waterstof gepresenteerd als een oplossing voor woningen die moeilijk zijn te isoleren. Ja dat is het paard achter de wagen spannen. Bovendien aardgasleidingen hebben niet het eeuwige leven, een vernieuwing van het aardgasnet is dan onvermijdbaar.

Wat voor probleem lossen we op met de energietransitie? Laten we eerlijk zijn. Het is belangrijk, maar de bijdrage en oplossing van Nederland aan de klimaatverandering moeten we natuurlijk niet overschatten. Als we op grote schaal inzetten op isolatie van bestaande woningen, bouwen van energie-neutrale woningen en de elektrische auto maken we al een heel grote stap. Minder lawaai, fijnstof en stikstof is goed voor de gezondheid van mens en natuur. Een aantrekkelijke toekomstbestendige woningvoorraad en leefbare buurten zijn goed voor het vestigingsklimaat.

De keuze is aan de energie-intensieve industrie of ze overstapt op waterstof of duurzame elektriciteit. Maak de energie-intensieve industrie zelf verantwoordelijk voor de aanvoer van primaire duurzame grondstoffen. Hetzij door te investeren in grootschalige windenergie of in zonneparken en waterstoffabrieken in Noord-Afrika. Dat valt toch onder de noemer van circulaire economie? Een heffing op CO2 kan dat proces alleen maar bevorderen.

Peter van de Laak
12 februari 2019

In 2008 is aan de Alderstafel het besluit genomen om de vakantievluchten van Schiphol naar Lelystad te verplaatsen. Formeel is dat besluit vastgelegd in de Luchtvaartnota van 2009. De milieugevolgen van die keuze zijn toen niet onderzocht. Straks zitten we met de gebakken peren als Lelystad van Brussel ruimte moet bieden aan autonome groei. Hebben we dan een beter vestigingsklimaat en betere kwaliteit van leven voor mens en natuur?

Voor Lelystad Airport en Schiphol zijn vorig jaar milieueffectrapportages uitgevoerd voor het te nemen Luchthavenverkeerbesluit. Over de uitgevoerde m.e.r.-onderzoeken zijn de nodige kritische geluiden naar buiten gekomen. De aannames voor het geluidonderzoek zijn te rooskleurig. Geluidmetingen tonen hogere geluidbelastingen dan wat is berekend. Onderzoek naar hinderbeleving laten hogere aantallen gehinderden en slaapverstoring zien op grote afstand van Schiphol. In het algemeen is de scope van het m.e.r.-onderzoek beperkt.

Wat onderbelicht blijft, zijn bijvoorbeeld de gevolgen voor het bredere vestigingsklimaat. De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur heeft in zijn rapport ‘Mainports voorbij’ hierop al gewezen. Een goede kwaliteit van woon- en leefomgeving en nabijheid van natuur en bijzondere landschappen zijn ook belangrijkheid. In m.e.r.-onderzoek wordt geen afweging gemaakt van de gevolgen van verlies van rust en stilte voor toerisme en recreatie.

De besluitvorming over Schiphol en Lelystad is een voorbeeld van salamitactiek. Burgers en maatschappelijke partijen zijn onvoldoende en te laat betrokken bij de besluitvorming. Het ministerie schiet daarmee in zijn eigen voet. Een strategische effectrapportage en brede maatschappelijke discussie hadden voorkomen dat we in de huidige situatie zijn beland. Als Lelystad open gaat en ruimte biedt voor autonome groei, zijn er alleen maar verliezers.

Schiphol moet betere en slimmere keuzes maken en niet alle marktsegmenten willen bedienen. Volgens ingewijden veroorzaakt 20 procent van het vliegverkeer 80 procent van de geluidhinder. Vooral de groei van het vrachtvervoer is de boosdoener. Te zwaar beladen lawaaiige vliegtuigen die deels in de nachtelijke uren te laag overvliegen. Schiphol wil het allemaal: pakketdiensten faciliteren en zakelijk, intercontinentaal, toeristisch verkeer.

Europese milieuregelgeving is behept met sectoraal denken. De Omgevingswet gaat uit van integraal denken. Helaas moeten we het nog wel doen met een sectoraal instrument als milieueffectrapportage. Voor strategische keuzes over het gebruik van de ruimte is een omgevingseffectrapportage nodig. Dan is een integrale beoordeling mogelijk van de gevolgen voor het vestigingsklimaat, kwaliteit van leven, milieu en natuur.

Peter van de Laak
8 januari 2019

De doelstelling is helder, 49% CO2-reductie in 2030. Nu is het moment om knopen door te hakken. Welk pakket maatregelen draagt het meest effectief bij aan die doelstelling en met welke instrumenten is dat doel het beste te bereiken? De eerste vraag is vooral een technisch-inhoudelijk afweging. De tweede een politieke. Wat is politiek wijs om te doen?

De baten van de Nederlandse inspanning zijn vanuit het belang van terugdringing van klimaatrisico’s zeer beperkt. Die baten zijn ook niet goed te berekenen, want afhankelijk van wat andere landen doen. De kosten daarentegen zijn heel goed te berekenen. De vraag is eerder hoe gaan we die kosten verdelen over de doelgroepen. Een logische afweging zou zijn ‘de vervuiler betaalt’, dus naar rato van de bijdrage aan de CO2-emissie.

De zwaarste last komt dan bij de grootverbruikers van fossiele energie te liggen. Dat zijn de kolencentrales, petrochemie, staal-, kunstmest- en cementindustrie, het vliegverkeer en veehouderij. Sommigen pleiten voor een CO2-heffing, maar veel beter zou zijn om het lage energietarief voor grootverbruikers stapsgewijs af te bouwen. In feite gaat het om het afbouwen van subsidie. De werkelijke energiekosten worden dan in rekening gebracht. Een effectieve incentive om energie te gaan besparen.

Die keuze heeft uiteraard wel gevolgen voor de economische groei en de belastinginkomsten van de staat. Wiebes zegt: “Het mag niet ten koste gaan van de economische groei”. Dat is een verwarrend statement, want klimaatverandering heeft al gevolgen voor de economische groei. We hebben al te maken met economische schade, omdat de rivieren niet goed meer bevaarbaar zijn voor de scheepvaart. De landbouw heeft te maken met droogteschade. Herstelmaatregelen en klimaatadaptatie kosten geld en arbeid die niet worden ingezet voor andere mogelijkheden voor economische groei. Ook hebben herstelmaatregelen en klimaatadaptatie implicaties voor de begroting. Het is aan de overheid om inventief te zijn, de bakens te verzettenen de begroting op een andere wijze sluitend te krijgen. Geeft de overheid niet teveel geld uit aan zaken die weinig bijdragen aan onze welvaart?

De ultieme vraag is of het huidige welvaartsniveau op de lange termijn wel houdbaar is. Het liefst bouwen we veel windmolens en biogasinstallaties, leggen we zonneparken aan, plaatsen op alle daken zonnepanelenom te voorzien in de groeiende vraag naar schone elektriciteit. Dat levert economische groei, maar energiebesparing levert ook economische groei en kansen voor innovatie.Op de lange termijn is het beperken van de energievraag ook een effectieve strategie met minder gevolgen voor de leefomgeving. Kwestie van andere mindset.

Nederland is een rijk land en kan die investeringen in duurzame energiecapaciteit wel opbrengen. De vraag is echter: is dat geld niet beter besteed als we minder fortuinlijke landen financieel ondersteunen om hun klimaatdoelstellingen te halen?

Peter van de Laak
24 oktober 2018

Voor de zomervakantie zijn de contouren van het klimaatakkoord gepresenteerd. Het doel is een CO2-reductie van 49% in 2030. Die doelstelling moet vooral worden bereikt door een shift van fossiele brandstoffen naar duurzame opwekking van elektriciteit en warmte. Zonder vergaande energiebesparing in diverse sectoren is het nog maar de vraag of die CO2-reductiedoelstelling zal worden gehaald.

Ik mis een transparante doorrekening van verschillende energiebesparingsscenario’s voor de industrie, mobiliteitssector (inclusief luchtvaart), landbouw en gebouwde omgeving. Een groot aantal voorstellen om de gewenste CO2-reductie te bereiken resulteert in de groei van het elektriciteitsverbruik. De vraag is of die toename kan worden gedekt uit duurzame bronnen. Uiteindelijk is de beschikbare ruimte voor zon en wind, op land en op zee, de beperkende factor.

Volgens de sectortafel industrie is het laaghangend fruit al geplukt. Dat is erg kort door de bocht. Nog lang niet alle bedrijven zijn voortvarend aan de slag gegaan met het toepassen van erkende energiebesparingsmaatregelen die binnen vijf jaar zijn terugverdiend. Terugdringing van CO2 door de industrie zou tevens moeten komen van de overstapvan aardgas naar elektriciteit en door ondergrondse opslag van CO2. Beide maatregelen betekenen een substantiële toename van het elektriciteitsverbruik.

Door de schaalvergroting in de melkveehouderij is er een toename van de inzet van melkrobots en groei van het elektriciteitsverbruik. Kunnen melkveehouders het elektriciteitsverbruik opvangen met zonnepanelen op hun daken? Ook milieumaatregelen zoals luchtwassers hebben implicaties voor het elektriciteitsverbruik. Wat kan een substantiële vermindering van het aantal dierenin Nederland bijdragen aan reductie van de elektriciteitsvraag?

Een reductie van 16 miljoen ton CO2 is mogelijk in de sector mobiliteit, waarvan het belangrijkste aandeel komt van de vergroening van auto’s. Hoeveel elektrische auto’s moeten er dan rijden in 2030 en hoe vertaald zich dat naar aantallen benodigde windturbines en zonnedaken en -parken? Gaan we ook veel minder autokilometers rijden door de week en in het weekend en meer op de fiets?Met de groei van het vervoer over het spoor, o.a. door hoogfrequent spoor, neemt het elektriciteitsverbruik immers ook toe.

In de gebouwde omgeving is de grootste uitdaging de verbouwing van de bestaande voorraad en de transitie naar aardgasvrij. Gealarmeerde bewoners schaffen toch maar HR-verwarmingsketelsaan vanwege het grote prijsverschil met warmtepompen. Misschien toch maar eerst prioriteit geven aan grootschalige isolatie van relevante delen van de bestaande woningvoorraad (of slopen en nieuw bouwen) in plaats van alles in één keer te willen aanpakken?

Peter van de Laak
3 september 2018

“De Omgevingswet is in alle opzichten een transitieopgave”, stelt Jan Rotmans in zijn essay voor het Stedennetwerk G40. Hij geeft er wel een winstwaarschuwing bij, want de complexiteit van de wet is een groot struikelblok. In de praktijk moet nog blijken of wezenlijk anders denken en handelen ook echt gaan plaatsvinden. Biedt de Omgevingswet wel voldoende ruimte voor nieuwe werkwijzen en praktijken?

Neem bijvoorbeeld de milieueffectrapportage. De Commissie Elverding adviseerde tien jaar geleden om meer te werken met vuistregels en expert judgement. Eenvoudiger effecten bepalen is een wens van initiatiefnemers, bevoegde gezagen en m.e.r.-adviseurs en toch gebeurt het niet. De Commissie voor de m.e.r. heeft voorgesteld om in het Omgevingsbesluit een juridische basis te geven aan zinvolle effectenbepaling. Die aanbeveling is niet gehonoreerd, terwijl deze andere manier van werken juist hoge onderzoekslasten kan voorkomen! In plaats daarvan kiest de Omgevingswet voor een praktijk van het ontwijken of uitstellen (doorschuiven) van de m.e.r.-procedure tot het moment van de omgevingsvergunning of projectbesluit. Dat is het paard achter de wagen spannen, want een strategische milieueffectrapportage ondersteunt juist integrale afwegingen.

Een van de hoekstenen van de Omgevingswet is digitalisering. Digitaal en zaakgericht werken moet bijdragen aan een versnelling van procedures en besluitvorming. Specialisten beoordelen bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen of deze voldoen aan sectorale milieuregels. Dit proces gebeurt zoveel mogelijk digitaal. Het komt voor dat een ontwerpbestemmingsplan of vergunning wel drie keer retour gaat richting initiatiefnemer. Digitale tools zijn erg handig, maar we moeten niet uit het oog verliezen dat het allemaal mensenwerk is. Het middel moet niet belangrijker worden dan het doel. Meer tijd en aandacht investeren in een vooroverleg is ook een manier om sneller betere plannen te maken. Dat wisten we overigens al, maar het moet wel worden georganiseerd.

“Van bestuurders wordt een mentale schaalsprong verwacht”, aldus Jan Rotmans. Het maken van integrale afwegingen en acteren op verschillende schaalniveaus is een uitdaging. Dat geldt zeker voor de grote verbouwing van Nederland, de energietransitie, klimaatadaptatie en de omslag naar een circulaire economie. Wie overziet nog al die complexe afwegingen tussen verschillende beleidsdomeinen en bestuurlijke niveaus? Waar sta je als gemeente en wat biedt de regio aan mogelijkheden voor samenwerking? Als moderne bestuurder heb je daadwerkelijk een dashboard nodig als kompas bij het maken van die integrale afwegingen.

Peter van de Laak
19 juni 2018

Het CBS heeft een eerste Monitor Brede Welvaart uitgebracht. Het is goed dat het CBS op een rij heeft gezet waar de politiek meer aandacht aan zou moeten besteden! De welvaart in Nederland komt vooral toe aan de hoger en beter opgeleiden en het milieu, de natuur en niet-westerse landen moeten de prijs daarvoor betalen. Helaas is dit een wereldwijd fenomeen. Waar moeten we ons in Nederland zorgen over maken?

Om te beginnen over onze natuur en biodiversiteit. Nederland heeft verhoudingsgewijs weinig beschermd natuurgebied en die bescherming laat ook nog eens te wensen over. De oorzaken zijn bekend. Er is een veel te grote veestapel en daardoor teveel mest en stikstofdepositie. De transitie naar een duurzame landbouw wil maar niet vlotten. Slechts 3% van het landbouwareaal is biologisch. Recent nog is de noodklok geluid voor de bijen, vlinders en insecten. Het is verontrustend dat er nog steeds geen kwantitatieve beleidsdoelstellingen zijn voor de natuur en ecosystemen.

De betaalbaarheid van onze gezondheid en zorg is een goede tweede. Ook hiervoor ontbreken gekwantificeerde beleidsdoelstellingen. Hoewel Nederland beschikt over een eerste klas gezondheidszorg zijn we internationaal maar een middenmoter wat betreft gezonde levensverwachting. Vooral de vrouwen doen het minder: 22e plaats in Europa. Overgewicht (niet alleen van vrouwen) en roken worden als probleem genoemd, maar er zijn uiteraard meer ziek- en doodmakers. Bijna een kwart van de mensen heeft te maken met geluidshinder en slechte luchtkwaliteit is niet alleen een issue voor het stedelijk gebied. Er moet veel meer worden geïnvesteerd in preventie en positieve incentives voor gezond gedrag.

In economisch opzicht doet Nederland het heel goed. Het is daarbij goed om te realiseren dat er van regio tot regio grote verschillen zijn en dat we nog veel geld verdienen aan traditionele op bulkproductie georiënteerde sectoren. Een groot deel van de landbouwproductie is bulk, o.a. melk en vlees. Daarnaast zijn er andere inkomstenbronnen die in economische waarde afnemen, zoals het aardgas, de petrochemie, olie- en kolenoverslag, elektriciteitsproductie. Er is nog een behoorlijke inhaalslag nodig op het gebied van energie en klimaat.

Bovendien, om een echt goed en compleet beeld te krijgen van onze internationale concurrentiepositie is informatie nodig over de prestaties van Nederlandse regio’s. De internationale concurrentie vindt namelijk steeds meer plaats tussen regio’s in Europa en wereldwijd. Dan tellen ook andere factoren mee voor het economisch vestigingsklimaat, zoals de kwaliteit van woningen en woonomgeving, cultuur-, onderwijs- en R+D-voorzieningen, kwaliteit van de beroepsbevolking, natuur en landschap en niet te vergeten de infrastructuur voor duurzame energie en mobiliteit.

Peter van de Laak
21 mei 2018