In de Volkskrant van zaterdag 6 januari las ik het interview met Ulrike Hermann. “Het klimaat kan alleen gered worden met een oorlogseconomie”. De economie moet met vijftig procent krimpen, aldus Hermann. Ook in andere gremia vindt hierover discussie plaats onder de noemer “degrowth” of “post-growth economie”. Mij valt op dat voorstanders van economische krimp vaag blijven over hoe de transitie naar die nieuwe economie is te bereiken. Of met onrealistische voorstellen komen.


Ideeën blijven steken in wensdenken. De economie anno 2024 is niet meer die van 50 jaar geleden. Wereldwijd zijn economieën veel meer met elkaar vervlochten. Ook zijn er naast de VS en Europa andere economisch sterke machtsblokken ontstaan, zoals de BRICS-landen met o.a. China, India, Brazilië. Positief is dat we er in veel opzichten beter voor staan dan 50 jaar geleden. Kennis, innovatief en technologisch vermogen zijn enorm toegenomen en met internet verspreid nieuwe kennis zich exponentieel. Dat biedt perspectief.

Begrijp mij goed, ik vind ook dat onze wijze van produceren en consumeren onhoudbaar is. Op dezelfde weg doorgaan is geen optie. Steeds meer mensen, politici en bedrijven zijn daarvan overtuigd. Maar in mijn ogen wordt er met een pleidooi voor een krimpende economie voorbijgegaan aan de menselijke natuur en het vraagstuk van “macht”. Mensen willen niet terug naar minder, maar vooruit en beter. Wie moet de leiding nemen in de transitie naar een nieuwe economie?

De degrowth beweging wil de klimaatcrisis oplossen met krimp van vervuilende activiteiten en uitbreiding van duurzame activiteiten. Wat duurzame activiteiten zijn, is niet helemaal duidelijk. Want er is bijvoorbeeld geen geloof in technologische oplossingen, zoals investeringen in wind, zon en energieopslag. Dat leidt alleen maar tot een toename van materiaal- en energiestromen. De eco-efficiency neemt dan wel toe, maar de milieudruk neemt niet substantieel af.

Met de focus op meer of minder groei komen we niet voorbij het groeiparadigma. We moeten meer sturen op de maatschappelijke doelen die we nastreven. Zoals een rechtvaardige samenleving, verbetering van de kwaliteit van leven, gezondheid, een goede staat van de natuur, een koolstofarme economie. Deze doelen geven richting aan een handelingsperspectief. Met een bredere, maar beperkte set van indicatoren wordt het maken van evenwichtige afwegingen overzichtelijker. Ook is dan beter de balans te bewaken tussen economische vooruitgang en die andere maatschappelijke doelen.

Peter van de Laak
10 januari 2024

Voor Rijkswaterstaat heb ik een verkenning uitgevoerd naar de kansen en belemmeringen voor verbreding van het MER in rijksprojecten van IenW/Rijkswaterstaat. Nieuwe thema’s als gezondheid, duurzaamheid en sociale effecten zijn steeds vaker onderwerp van omgevingseffectrapportage (OER). Uit de onderzochte voorbeelden blijkt dat een verbreding naar OER niet per se samengaat met een betere afweging in bestuurlijke besluiten.

Omgevings effect rapportage laten uitvoeren?

Voor de uitvoering van de verkenning heb ik gebruik gemaakt van literatuuronderzoek, analyse van acht casussen en interviews. Het doel van milieueffectrapportage heeft daarbij centraal gestaan. In hoeverre kan met een breder beoordelingskader zinvolle informatie worden gegenereerd, zodat die informatie volwaardig kan worden meegewogen in het te nemen besluit?

Uit de vier onderzochte MIRT-verkenningen blijkt dat de beperkte reikwijdte en beschikbaar budget leiden tot alternatieven die redelijk smal zijn en weinig variatie laten zien. De beoordeling van de alternatieven op thema’s als duurzaamheid en gezondheid leveren daardoor nauwelijks extra beslisinformatie op. Verbreding naar OER zal binnen de huidige beleidskaders om die reden niet bijdragen aan onderscheidende alternatieven en geen rol spelen bij de afweging over de voorkeursbeslissing.

De OER en brede MER voor de NOVI, respectievelijk het Nationaal Waterprogramma (NWP) beoordelen een groot aantal thema’s op hun milieugevolgen en mate van doelbereik. Uit de analyse blijkt dat het meenemen van een ruim aantal thema’s niet per se samengaat met een voldoende detailniveau van de beslisinformatie.

De OER voor de NOVI beoordeelt beleidsvoornemens o.a. op de gevolgen voor hittestress (klimaat) en kwaliteit van woningen. Preventie van hittestress en betere kwaliteit van woningen zijn in belangrijke mate afhankelijk van (de uitvoering van) gemeentelijk beleid. Het doen van navolgbare uitspraken in de NOVI over doelbereik en effecten voor het gemeentelijke schaalniveau kent veel onzekerheden en is daardoor lastig te onderbouwen.

Volgens het MER voor het NWP bieden beleidsvoornemens als ruimtereservering van wind op zee en CO2-opslag in lege gasvelden onder de Noordzee kansen voor CO2-reductie. Dit detailniveau is wel erg beperkt. Beter was geweest om een globale kwantitatieve schatting te maken (op basis van kengetallen) van de omvang van de vermindering van CO2-emissie. Daarmee was een betere vergelijking en beoordeling mogelijk geweest van de kosteneffectiviteit van beide beleidsvoornemens.

Een scherpe afbakening van de reikwijdte van het MER vindt nog te weinig plaats, waardoor vaak sprake is van een uitdijende scope. De kunst is om de reikwijdte te beperken tot de thema’s die relevant zijn voor het schaalniveau waarop naar oplossingen wordt gezocht. De ironie is dat met het uitdijen van de scope van het MER de sturingsmogelijkheden afnemen.

Peter van de Laak
14 maart 2022

 

Een afstandsnorm voor windturbines is nodig om gezondheidsschade bij omwonenden te voorkomen. Voor het beperken van geluidsoverlast zijn er geluidsnormen, maar die bieden onvoldoende bescherming. In verschillende Regionale Energie Strategie regio’s (RES) zijn zoekgebieden en locaties aangewezen met windturbines op afstanden van minder dan 500 meter. Vooral tijdens de nacht leiden die tot slaapverstoring en gezondheidsklachten.

In het Activiteitenbesluit milieubeheer is voor windturbines een maximale geluidsnorm vastgelegd van 47 decibel. Deze norm is een jaargemiddelde van het geluid dat een windturbine mag produceren op de dichtstbijzijnde woningen. Bij het vaststellen van deze geluidsnorm is uitgegaan van de jaargemiddelde windrichting. Deze komt voor een groot deel van het jaar uit het zuidwesten. Wanneer de wind uit een andere richting komt, kan dat voor woningen die in de windrichting liggen een hogere geluidsbelasting veroorzaken.

De huidige geluidsnorm houdt ook geen rekening met laagfrequent geluid. Laagfrequent geluid is een lage bromtoon die tot op grote afstand hoorbaar (en soms voelbaar) is. Omwonenden van industrieterreinen en NS-stations hebben er soms al ervaring mee. Voor laagfrequent geluid bestaan geen normen. De oorzaak van laagfrequent geluid is niet eens bekend. Dan is het lastig om maatregelen te nemen om dit soort geluid te voorkomen of verminderen.

Aardgasvrij maken van bedrijventerreinen?

Genoeg redenen om de huidige geluidsnormering voor windturbines en -parken aan te passen. Gemeenten kunnen dat al doen na inwerkingtreding van de Omgevingswet door in het omgevingsplan een lagere geluidsnorm vast te leggen. Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kunnen gemeenten de maximale norm verlagen naar 42 dB. Hiervoor is een aanpassing nodig van de rijksregels in de zogenoemde bruidsschat. De vraag is of dit voldoende is.

Wat een goede afstandsnorm is, daarover bestaat discussie. In landen als Denemarken en Duitsland wordt uitgegaan van een afstandsnorm van tien keer de masthoogte. Bij een masthoogte van 100 meter moet dan minimaal een afstand van 1.000 meter worden aangehouden. Het is onbekend welke minimale afstand voldoende waarborgen biedt om slaapverstoring en hinder door laagfrequent geluid te voorkomen.

In het coalitieakkoord van het nieuwe kabinet is aangekondigd dat gewerkt wordt aan de invoering van een heldere afstandsnorm. Gemeenten kunnen hierop alvast anticiperen door een kaart te maken met gebieden die op een voldoende ruime afstand staan van woningen. Gebieden die niet voldoen aan de geluids- en afstandsnorm, komen dan bij voorkeur niet in aanmerking voor plaatsing van windturbines.

Peter van de Laak
23 december 2021

Het aandeel zonne-energie in Regionale Energie Strategie (RES1.0) regio’s is toegenomen. Er is weinig draagvlak voor windenergie door zorgen over gezondheidsschade, aantasting van landschappelijke waarden en schade aan beschermde vogels. Windenergie langs infrastructuur rondom de Veluwe zit voorlopig in de ijskast vanwege de wespendief.

De kansen en risico's met zonne-energie

Zonne-energie in het buitengebied levert goedkope zonnestroom. Het potentieel voor zonneparken is groot, maar niet overal is een zonnepark een mooie oplossing. In de Krimpenerwaard heb ik meegewerkt aan de RES1.0. Ook kleinschalige zonneparken roepen weerstand op vanwege het verlies van goede landbouwgrond en weidevogelgebied. Voor het verlies van weidevogelgebied moet compensatie worden gevonden.

Langs infrastructuur is veel ruimte beschikbaar voor opwekking van zonne-energie. Rijkswaterstaat werkt aan een areaalstrategie, wegbermen kunnen worden benut voor het plaatsen van zonnepanelen. Voor zes landschapstypen zijn de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik verkend. Zonne-energie kan niet overal vanwege gevolgen voor planten- en insectensoorten. Het mag ook niet leiden tot belemmeringen voor het beheer en onderhoud van wegen en vaarwegen.

Binnenwateren, zoals zandwinplassen lenen zich goed voor drijvende zonneparken. Maar ook voor drijvende zonneparken zijn er landschappelijke en ecologische uitdagingen. Effecten kunnen optreden voor het onderwaterleven. Als er te weinig zonlicht doordringt in het water verdwijnen de waterplanten, waardoor de visstand achteruitgaat. Met de zonnepanelen moet je uit de oevers blijven, zodat watervogels de ruimte hebben om naar voedsel te zoeken.

Voor zon op bedrijfsdaken is veel draagvlak, maar door het beperkte draagvermogen van die daken gaat dat veel te langzaam. Lichtgewicht folies en andere lichtgewichtoplossingen, waarin kunststoffen het glas en aluminium vervangen, zijn een kansrijk alternatief. Ook zijn er kansen voor geïntegreerde toepassingen met zonnepanelen of -folies in het dak of de gevel van woningen door industrialisatie van de woningbouw.

De kansen en risico's van zonne energie

De belangrijkste belemmering voor een grootschalige uitrol van zonne-energie is de beperkte netwerkcapaciteit. Het kan nog even duren voordat de netwerkcapaciteit overal op orde is. Creatieve oplossingen zijn nodig in de vorm van opslagsystemen (batterijen) gecombineerd met smart grids. Hiermee kunnen vraag en aanbod van elektriciteit efficiënt op elkaar worden afgestemd. Met deze oplossing is een verzwaring van het elektriciteitsnet niet overal urgent.

Meer weten over dit onderwerp en zonne-energie? Neem contact met mij op.

De gemeenteraad van Amersfoort heeft op 12 oktober jl. een besluit genomen over de regels in de bruidsschat. Regels die overeenstemmen met de huidige praktijk en het beleid zijn overgenomen. Er zijn ook regels gewijzigd en geschrapt. Minder regels en vooral minder gedetailleerde regels dragen bij aan de doelstelling om het omgevingsplan inzichtelijk te houden. Veel gedetailleerde regels zijn ook een belemmering voor die andere doelstelling: meer bestuurlijke afwegingsruimte. Met een groot aantal vakspecialisten en juristen heb ik dit besluit voorbereid.

Bruidsschat; juridische regels over milieubelastende activiteiten

 

Regels van activiteiten die niet voorkomen in Amersfoort zijn geschrapt. Voorbeelden zijn regels voor schutterijen en nertsenfokkerijen, maar ook regels voor afvalwaterlozingen in kassen en exploitatie van recreatieve visvijvers. Wanneer er in de toekomst toch een aanvraag komt voor dergelijke activiteiten, kan de gemeente heroverwegen of hiervoor regels worden opgenomen in het omgevingsplan.

De bruidsschat bevat ook veel gedetailleerde regels over agrarische activiteiten. Een voorbeeld is het bijhouden van een logboek voor een gesloten bodemvoorziening bij de opslag van vaste (pluimvee)mest en kuilvoer. Handhaving hiervan vindt niet vaker dan eens in de tien jaar plaats en heeft geen hoge prioriteit. Vanuit oogpunt van milieurisico zijn gedetailleerde regels niet proportioneel.

De Veiligheidsregio Utrecht (VRU) heeft een handreiking opgesteld voor regels in het omgevingsplan. Het gaat o.a. om een aanscherping van regels voor bluswatervoorzieningen bij bouwwerken en bereikbaarheid van bouwplaatsen. De gemeente gaat nog met de VRU in overleg, want dit zou kunnen betekenen dat voor elke bouwvergunning advies nodig is van de VRU. Extra kosten en vertraging van de vergunningprocedure zijn risico’s om rekening mee te houden.

De regels voor bescherming van monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten zijn complex in combinatie met vergunningsvrije-regels. In beschermde stads- en dorpsgezichten komt er een vergunningplicht voor bijbehorende bouwwerken. Ook komt er een meldingsplicht voor wijzigingen van niet-monumentale delen in het interieur.

Een discussiepunt in de raad was het al dan niet opnemen van strengere geluidsnormen voor windturbines. Het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt die mogelijkheid. De consequentie daarvan is mogelijk minder ruimte voor windturbines. Voor het maken van een afweging tussen de belangen van gezondheid en duurzame energie wordt eerst nog onderzoek gedaan.

Peter van de Laak
1 november 2021

 

Tijdens de Nationale Milieudag van de VVM, het netwerk van milieuprofessionals, werd door de sectie Milieueffectrapportage een webinar verzorgd over 34 jaar milieueffectrapportage (16 juni 2021). Het instrument milieueffectrapportage heeft in de voorbije decennia verschillende kantelpunten gekend en staat opnieuw voor een belangrijk kantelpunt. Zo is er de vraag of milieueffectrapportage zich zou moeten door ontwikkelen naar een omgevingseffectrapportage, kortweg OER genoemd. Die ontwikkeling zou goed aansluiten bij de Omgevingswet die in 2022 in werking treedt.

Milieueffectrapportage op een kantelpunt

 

Tijdens het webinar zijn drie relevante ontwikkelingen toegelicht die een kantelpunt inhouden voor milieueffectrapportage. Het gaat o.a. om de wettelijke participatieplicht bij nieuwe initiatieven, zoals de bouw van zonne- en windenergieparken, woningbouwprojecten en aanleg van nieuwe infrastructuur. Het instrument milieueffectrapportage zal deze participatieplicht moeten inpassen in de procedure. Dat betekent een grotere nadruk op het betrekken van omwonenden en andere belanghebbenden bij de uitgangspunten, randvoorwaarden en onderzoekmethoden voor de uitvoering van milieueffectrapportage.

Een andere ontwikkeling is de digitale MER-rapportage. Deze ontwikkeling is een antwoord op de vaak gehoorde kritiek van omvangrijke en slecht toegankelijke MER-rapporten. Bestuurders zien vaak niet wat de relevante (strategische) afwegingen zijn. Door de omvangrijke informatie is niet altijd duidelijk wat de belangrijkste milieugevolgen zijn en hoe deze zijn te beïnvloeden. Het digitale MER-rapport beoogt de milieu-informatie toegankelijk te maken met behulp van visuele methodieken, zoals computersimulaties, augmented reality en audiovisuele hulpmiddelen. Beschikbare data kunnen op verschillende wijze worden gepresenteerd en bewerkt, zodat de gevolgen van wijzigingen in een project meteen zichtbaar zijn.

De omgevingseffectrapportage of OER is een derde ontwikkeling die al wordt toegepast bij omvangrijke stedelijke ontwikkelingsprojecten en omgevingsvisies, door middel van bijvoorbeeld een omgevingsplan. Voorbeelden zijn Haven-Stad Amsterdam en Binckhorst Den Haag. Bij OER wordt er niet alleen gekeken naar de traditionele milieueffecten, zoals bodem, geluid, natuur en landschap. Een breed palet van ruimtelijke, sociale en economische effecten wordt beoordeeld. Een ontwikkeling die aansluit bij het belang van duurzame ontwikkeling en het beoordelen van de lange termijngevolgen voor gezondheid, welzijn, werkgelegenheid en klimaatverandering. Een veel gehoorde kritiek op de OER is dat vanwege de vele beoordelingscriteria de strategische afwegingen voor bestuurders complex zijn. Door de complexiteit zijn er tal van onzekerheden die het nemen van besluiten niet eenvoudiger maakt.

Het staat nog niet vast hoe deze drie fundamentele ontwikkelingen gaan doorwerken in het instrument milieueffectrapportage. Wel is met deze drie ontwikkelingen de milieueffectrapportage opnieuw op een kantelpunt beland. Het is vooral een opdracht aan m.e.r.-professionals om te laten zien hoe het integreren van deze ontwikkelingen bijdraagt een de toekomstwaarde van milieueffectrapportage. Goede voorbeelden zijn nodig om gebruikers en bestuurders te enthousiasmeren en overtuigen.

Peter van de Laak
16 augustus 2021

 

Met enige regelmaat word ik benaderd met de vraag of voor een initiatief een milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd. Het is voor initiatiefnemers niet altijd duidelijk of voor een project een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Soms kan een m.e.r.-beoordeling voldoende zijn. Er is nog een derde mogelijkheid, namelijk het opstellen van een Aanmeldnotitie m.e.r. In dit blog leg ik uit wat het verschil is tussen deze drie procedures en hoe te bepalen welke procedure van toepassing is.

M.E.R. plicht ja of nee?

 

Het Besluit milieueffectrapportage bevat twee bijlagen. In bijlage C staan de activiteiten waarvoor een MER moet worden opgesteld. Het gaat doorgaans om grote projecten, zoals de aanleg of uitbreiding van snel- en spoorwegen en de oprichting van industriële installaties. In kolom 1 staan de activiteiten, kolom 2 bevat een specificatie van de omvang, schaalgrootte of capaciteit van de activiteit (gevallen). Als een activiteit niet voldoet aan de criteria van kolom 2 is een m.e.r.-beoordeling nodig.

In bijlage D staan de activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Een m.e.r.-beoordeling houdt een onderzoek in naar mogelijk belangrijke milieugevolgen van de activiteit. Belangrijke milieugevolgen zijn bijvoorbeeld onomkeerbare schade aan natuur en gevolgen voor de gezondheid door luchtverontreiniging. Het doel van de m.e.r.-beoordeling is aantonen dat er geen belangrijke milieugevolgen zijn te verwachten. Belangrijke milieugevolgen zijn eventueel te voorkomen door het treffen van preventieve of curatieve maatregelen die de milieugevolgen aanmerkelijk verminderen.

Voorbeelden van activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, zijn een landinrichtingsproject en stedelijk ontwikkelingsproject. Ook voor deze activiteiten staan in kolom 2 criteria genoemd waarboven een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor een landinrichtingsproject gaat het om een oppervlakte van 125 hectare of meer. Een stedelijk ontwikkelingsproject moet minimaal een oppervlakte van 100 hectare of meer hebben. Of een aangesloten gebied omvatten met 2000 of meer woningen.

Stedelijke ontwikkelingsprojecten van een dergelijke omvang worden vaak niet meer uitgevoerd. Veelal gaat het om kleinere woningbouwprojecten van enkele honderden woningen. In dat geval is het opstellen van een Aanmeldnotitie m.e.r. verplicht. Ook deze aanmeldnotitie heeft tot doel te motiveren dat er geen noodzaak is voor het uitvoeren van een milieueffectrapportage. De aanmeldnotitie is in wezen niet meer dan een samenvatting van de uitgevoerde milieuonderzoeken. Over de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders, een afzonderlijk besluit te nemen. De aanmeldnotitie wordt daarna als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan.

Peter van de Laak
16 augustus 2021


Voor activiteiten die vermeld staan in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is een m.e.r.-beoordeling verplicht. Wanneer de omvang van die activiteiten minder is dan de drempelwaarde of criteria (kolom 2), kan worden volstaan met een Aanmeldnotitie m.e.r. Deze aanmeldnotitie dient een beschrijving te bevatten van:

  • De kenmerken van de activiteit;
  • De locatie van de activiteit;
  • De potentiële milieugevolgen van de activiteit.

Met een complete en heldere beschrijving van deze drie beoordelingscriteria wordt voldaan aan de Europese m.e.r.-richtlijn (juli 2017).

Aanmeldnotitie M.E.R.

 

Bij de kenmerken van de activiteit gaat het om een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit en cumulatie met andere projecten. Ook het gebruik van materialen, afvalstoffen en hulpbronnen dient te worden vermeld. Van belang is om een onderscheid te maken tussen de aanleg- en gebruiksfase. In de aanlegfase kan het gaan om het verwijderen van vervuilde grond of het tijdelijk verlagen van het grondwaterpeil door bemaling. Daarnaast moet worden gedacht aan sloopwerkzaamheden met risico’s op asbestverspreiding en vernietiging van habitats van vleermuizen. Het kappen van bomen kan ook gevolgen hebben voor vogels als er nesten aanwezig zijn. Heiwerkzaamheden en zwaar transport kunnen geluid- en trillingshinder veroorzaken.

Wanneer in de nabije omgeving gelijktijdig andere projecten worden uitgevoerd, is ook een beschrijving van die projecten nodig. Van belang is om uit te sluiten dat in de toekomstige gebruiksfase de kwaliteit van de woon- en leefomgeving onomkeerbaar achteruitgaat. Bijvoorbeeld als gevolg van een relevante toename van het wegverkeer.

Voor de locatie van een project moet een onderscheid worden gemaakt tussen het plangebied en de wijdere omgeving waar zich effecten kunnen voordoen. Stikstofdepositie kan zich voordoen op kilometers afstand in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden. Door het bouwen van woningen binnen een stedelijk ontwikkelingsgebied kan dit gevolgen hebben voor geluidshinder en externe veiligheidsrisico’s. Een situatietekening van het plangebied en onmiddellijke omgeving is dan wenselijk.

Bij het beschrijven van de milieugevolgen dient te worden ingegaan op o.a. bodem, archeologie, geluid, trillingen, luchtkwaliteit, externe veiligheid, geurhinder en stikstofdepositie. Doorgaans is het uitvoeren van een flora- en faunaonderzoek verplicht. De diepgang van het uit te voeren milieuonderzoek is afhankelijk van de mate waarin de milieugevolgen meer of minder significant zijn. Daarnaast bevat de aanmeldnotitie een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om effecten te verminderen of te neutraliseren.

In de conclusie motiveert u helder en navolgbaar waarom het opstellen van een MER niet nodig is. Het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders, neemt een zelfstandig beoordelingsbesluit over de aanmeldnotitie m.e.r. Dit besluit staat open voor bezwaar en beroep in samenhang met het besluit over het bestemmingsplan of omgevingsvergunning.

Peter van de Laak
16 augustus 2021

 

Het omgevingsplan bevat de juridische regels voor de fysieke leefomgeving. Regels voor o.a. bouwen, monumenten en milieubelastende activiteiten. Hiermee geeft de gemeente duidelijkheid aan initiatiefnemers welke activiteiten wel en niet zijn toegestaan en de voorwaarden die gelden. Veelal worden regulerende instrumenten ingezet, zoals algemene regels en meldings- en vergunningplichten. De gemeente heeft echter veel meer mogelijkheden om sturing te geven aan maatschappelijke opgaven.

Regels Omgevingsplan

 

Voor de aanpak van maatschappelijke opgaven kan de gemeente kiezen uit vier rollen. De gemeente kan activiteiten reguleren of initiatiefnemers stimuleren om activiteiten te ondernemen. Daarnaast is er een keuze tussen loslaten en faciliteren. Voorbeelden van loslaten zijn geen regels stellen aan bepaalde activiteiten en vergunningsvrij activiteiten. Bij faciliteren worden juridische regels omgezet in een digitaal te raadplegen set van vragen. Initiatiefnemers kunnen dan achterhalen wat de eisen zijn voor het maken van een dakkapel of het plaatsen van zonnepanelen op het dak van een monument.

De keuze tussen deze vier rollen is afhankelijk van het belang dat de gemeente hecht aan het beschermen of ontwikkelen van de fysieke leefomgeving. En van de mate waarin de gemeente er invloed op heeft. Wanneer de nadruk ligt bij beschermen dan kunnen vergunningplichten of verboden worden ingezet. Voor het ontwikkelen van de fysieke leefomgeving is de gemeente afhankelijk van anderen. Dan ligt het meer voor de hand om te stimuleren door inzet van doelvoorschriften en open normen. Het einddoel is dan duidelijk, maar de oplossing wordt overgelaten aan de creativiteit van initiatiefnemers.

Bij bekende simpele problemen zijn andere juridische instrumenten nodig dan bij onbekende complexe opgaven. In de huidige praktijk wordt er nog relatief veel gebruik gemaakt van regulerende instrumenten. Dat heeft voor deel te maken met gewoonte en behoefte aan controle. Nieuwe maatschappelijke opgaven als energietransitie en het klimaatbestendig maken van de fysieke leefomgeving laten zich niet zo gemakkelijk sturen. Een goede balans tussen beschermen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving vraagt naast regulering om een stimulerende en faciliterende rol van de gemeente.

Bij die afweging spelen ook de administratieve en bestuurlijke lasten een rol. Algemene regels vragen relatief weinig administratieve lasten, maar ze moeten wel gehandhaafd worden. Het wijzigen van vergunningplichten in meldingsplichten heeft als voordeel dat de bestuurlijke lasten lager zijn. Dat is alleen wenselijk als de maatschappelijk risico’s aanvaardbaar zijn en er gemonitord en gehandhaafd wordt.

Peter van de Laak
27 juni 2021