De handreiking MER-basis heb ik nu twee keer gelezen. Wat mij verbaast is dat er niets in staat over de rol van milieueffectrapportage bij participatie . Niets over de inbreng van waterschappen, natuurorganisaties, energiebeheerders en provincie. Partners die relevante kennis en data kunnen inbrengen. Partners die je ook nodig hebt bij de uitvoering van het omgevingsbeleid.

Aanmeldnotitie M.E.R.

De belofte
MER-basis beoogt milieueffectrapportage efficiënter te benutten voor het omgevingsbeleid. Een gemeente is namelijk niet klaar met alleen een MER voor de omgevingsvisie. Een MER kan ook nodig zijn voor opvolgende programma’s. Met een MER-basis is meer samenhang mogelijk. De handreiking MER-basis reikt daartoe een gereedschapskist met hulpmiddelen aan. Zoals het ontwerpen van een beoordelingskader waarmee een goede onderbouwing en afweging van keuzes mogelijk is. Dat is de belofte, maar ik zie dat nog niet gebeuren.

Beoordelingskader: technisch ingewikkeld
Een van de moeilijkste onderdelen van MER is het opstellen van een beoordelingskader. Vooral nu omgevingsvisies steeds meer uitdijen met soms wel 15 beleidsthema’s. Ik heb dat meegemaakt toen ik als adviseur werkzaam was voor de gemeente Amersfoort. Beleidsmedewerkers werd gevraagd om een eerste versie van een beoordelingskader verder in te vullen. Wat zijn de relevante indicatoren per thema? Wat is de huidige situatie per indicator en wat zou de streefwaarde kunnen zijn (de meetlat)? Die vragen beantwoorden was voor de meesten een brug te ver.

Voor Rijkswaterstaat heb ik een verkenning uitgevoerd naar de kansen en belemmeringen voor omgevingseffectrapportage (OER). In diverse casussen bleek het detailniveau van de besliscriteria te globaal om concrete afwegingen te kunnen maken. Je haalt je een hoop werk op de hals als je voor een breed scala aan beleidsthema’s een beoordelingskader ontwerpt en je niet beschikt over de relevante data op het juiste detailniveau. Dit behoort al duidelijk te zijn tijdens het opstellen van de notitie reikwijdte en detailniveau.

Monitor leefomgeving
Positief vind ik de oproep aan gemeenten om hun informatiebeheer op orde te brengen. Voor veel gemeenten ligt daar nog een uitdaging. Een foto en monitor voor de fysieke leefomgeving kan een waardevolle rol spelen bij het participatieproces. Het maakt de kwetsbaarheden en uitdagingen van de gemeente concreet. Daarvoor hebben gemeenten ook input nodig van hun partners die inzicht kunnen geven in ontbrekende kennis, informatie en data.

De MER-praktijk krijgt steeds meer te maken met complexe afwegingen en dilemma’s. Meer aandacht is nodig voor een goede voorbereiding van het MER en de rol van milieueffectrapportage in het participatieproces. Want de procesrisico’s nemen toe en er is meer tijd nodig voor het begeleiden van (politieke) afwegingen.

Warmtetransitie

Dilemma’s
Met het uitdijen van de scope van omgevingsvisies zijn er meerdere opgaven die elkaar in de weg kunnen zitten. Door verschillende opgaven met elkaar te confronteren, maak je conflicten zichtbaar. Kiezen voor meer of minder, respectievelijk lagere of hogere windturbines? Hoe weeg je die keuze af tegen gezondheidsverlies, vogelslachtoffers en landschappelijke kwaliteit? Zonder participatie breng je dit dilemma niet gemakkelijk tot een bevredigend einde. Vooral niet wanneer partijen tegenover elkaar staan en de emoties hoog oplopen.

Dat geldt ook voor de dilemma’s bij een warmteprogramma. Uit oogpunt van maatschappelijke kosten is een warmtenet goedkoper. Maar veel bewoners maken zich zorgen over de betaalbaarheid. Een warmtepomp is niet goedkoop, maar je weet dan wel waar je als bewoner aan toe bent. De milieuoverwegingen tussen warmtenet en warmtepomp zijn dan vaak minder doorslaggevend. Bij bewoners gaat het om keuzevrijheid en kosten. Ook dit dilemma vraagt om een zorgvuldig participatieproces.

Institutionele belemmeringen
Het opstellen van een op participatie toegesneden notitie reikwijdte en detailniveau kost meer tijd en vraagt meer budget. Initiatiefnemers moeten bovendien betalen voor het advies van de Commissie mer over de notitie reikwijdte en detailniveau. Dit is het gevolg van een jaren geleden genomen politiek besluit. Dit maakt het MER onnodig duur, terwijl het advies van de Commissie juist cruciaal is voor de kwaliteit van milieueffectrapportage.

In een competitieve markt willen gemeenten en provincies niet altijd meer betalen voor meer proceskwaliteit. Vooral niet wanneer de Commissie mer alleen (achteraf) toetst op de inhoud van het MER-rapport. Meer budget voor een degelijk participatief proces is ook geen garantie voor een bevredigend eindresultaat en een goed MER. Dit heeft veel weg van een catch-22.

Deze situatie vraagt om heldere voorwaarden over de rol van MER in het participatieproces bij de aanbesteding van milieueffectrapportage. Ook is het voor de kwaliteit van MER beter om het opstellen van de notitie reikwijdte en detailniveau en het MER te laten uitvoeren door verschillende marktpartijen. Dat laatste gebeurt gelukkig al steeds meer.

 

De MER-praktijk heeft in toenemende mate te maken met polarisatie. Normstelling en betrouwbaarheid van toegepaste rekenmodellen staan ter discussie. Voor de MER-professional speelt de vraag hoe een positie in te nemen in gepolariseerde situaties. Kiezen voor een onafhankelijke neutrale rol kan uiteindelijk tegen je werken.

Afstandsnorm voor windturbines

Wat is polarisatie?
Bart Brandsma heeft een denkkader ontwikkeld over polarisatie. Polarisatie is wij-zij denken. De overheid die de energietransitie verder wil brengen staat tegenover bewoners die zich zorgen maken over hun gezondheid. Natuurorganisaties staan tegenover boeren in de stikstofaanpak. Polarisatie wordt aangewakkerd door partijen die brandstof leveren. Brandstof in de vorm van verdachtmakingen, onjuiste niet onderbouwde beweringen en zelfs het schofferen van tegenstanders. Zo heb ik in Groningen meegemaakt hoe voorstanders van windenergie het predicaat ‘groene kerk’ of erger ‘groene vlek’ krijgen. Emoties kunnen hoog oplopen, de onderbuik regeert.

Windturbines op land
Windturbines op land leiden tot zorgen over gezondheid en aantasting van landschappelijke waarden. Met een geluidmodel wordt de mate van ernstige hinder en verstoring van de nachtrust berekend. Denken dat hiermee een wetenschappelijk onafhankelijk oordeel is te geven over geluidhinder en gezondheid, is olie op het vuur gooien. Ik heb dat meegemaakt toen een MER-bureau het voldoende vond om alleen de jaargemiddelde geluidbelasting (Lden) als criterium en meetlat te hanteren. Bewoners willen een strengere norm voor geluid in de nachtperiode (Lnight) en/of een minimale afstandsnorm. Want geluidhinder in de nacht leidt tot aantasting van gezondheid, zoals in Groningen waar windturbines onverklaarbare hinder veroorzaken door laagfrequent geluid. Strengere geluids- en afstandsnormen verminderen de energieopbrengst. Daar heb je een dilemma waarvoor in een participatief proces naar een oplossing kan worden gezocht.

Stikstof
Natuurgebieden gaan achteruit door overbelasting met stikstof. Maar boeren betwisten dat, want behalve stikstof hebben klimaatverandering en slechte waterkwaliteit ook negatieve effecten voor de natuur. Boeren vinden dat ze worden benadeeld, omdat emissies van weg- en vliegverkeer en industrie minder streng worden aangepakt. De minister van landbouw en boerenorganisaties willen een minder strenge stikstofnorm en een emissienorm per agrarisch bedrijf. Volgens natuurorganisaties kan dat alleen als er tegelijk generieke maatregelen worden genomen om de achtergrondbelasting fors te verlagen. Ook dit dilemma vraagt om een maatwerkaanpak.

In gepolariseerde situaties is het vaststellen van een acceptabel beoordelingskader een nog grotere uitdaging voor MER dan deze nu al is. MER-professionals zullen zich hiervan bewust moeten zijn. Het MER dat informatie aandraagt voor bestuurders die afwegingen moeten maken is te complex. Milieueffectrapportage zou meer dan nu moeten focussen op het meedenken over en aandragen van oplossingen voor actuele dilemma’s.

 

De MER-praktijk is er niet eenvoudiger op geworden. De uitdijende scope van omgevingsvisies maken het MER complex. Van gemeenten wordt verwacht beleid te ontwikkelen voor diverse transitieopgaven: energie, mobiliteit, klimaat, natuur en landbouw. Transitieopgaven die met elkaar kunnen botsen of waarvoor de ruimte ontbreekt.

Afstandsnorm voor windturbines

In 2006 werd gestart met het beoordelen van milieueffecten van plannen en programma’s. In een plan-MER worden de langetermijneffecten van het plan in beeld gebracht. Langetermijneffecten die erg onzeker zijn. Want hoe snel gaat bijvoorbeeld de klimaatverandering en wanneer komen die technologische innovaties beschikbaar? Ook zijn er tweede en derde orde effecten die onbekend zijn. Het is in zekere zin kijken in een glazen bol, maar dan wel met gebruik van de kennis van nu over waarschijnlijke toekomsten.

Onzekere risico’s van transitieopgaven
Tegenwoordig gaat het niet meer alleen om de milieubeoordeling van woningbouw- en werklocaties en uitbreiding van infrastructuur. De laatste 5-10 jaar zijn er nieuwe opgaven bijgekomen, zoals locaties voor windparken, ruimte voor waterberging, duurzame mobiliteit, ondergronds bouwen. Intensivering en meervoudig gebruik van de ruimte is noodzakelijk, want niet alles kan meer overal. Die keuzes hebben implicaties voor de leefbaarheid, gezondheid en biodiversiteit. Nieuwe risico’s vragen meer aandacht:

  • Wateroverlast en overstromingsrisico’s;
  • Hittestress;
  • Slaapverstoring door laagfrequent geluid;
  • Overbelasting van het energienet;
  • Drinkwatertekorten.

Meten en beoordelen van onzekere effecten
Door verbreding van de scope van omgevingsvisies is het construeren van een onafhankelijk beoordelingskader een uitdaging op zich geworden. Voor het beoordelen van de (milieu)gevolgen van transitieopgaven zijn een groot aantal criteria nodig. Voor al die criteria moeten meetlatten worden geconstrueerd. Voor mensen die hiermee minder ervaring hebben lijkt het wel hogere wiskunde. Want hoe meet en beoordeel je objectief het effect van een windpark voor de gezondheid van omwonenden, de biodiversiteit en ruimtelijke kwaliteit? Daarvoor zijn wetenschappelijke gevalideerde modellen en relevante data nodig en die zijn niet altijd voorhanden. Zeker niet als het gaat om zachte waarden, zoals de gevolgen voor het landschap.

In het sterk gepolariseerde politieke krachtenveld worden conclusies en aanbevelingen van MER dan ook regelmatig betwist. Goede keuzes bestaan niet meer. Ik adviseer iedere gemeente om een monitor voor de fysieke leefomgeving te ontwikkelen. Een monitor werkt als een kompas. Het is essentieel om vinger aan de pols te houden, zodat kan worden bijgestuurd of ingegrepen.

Gemeenten die hun bestemmingsplan- en bruidsschatregels overzetten naar het definitieve omgevingsplan zullen rekening moeten houden met milieueffectrapportage (mer). De mogelijkheid van een plan-mer-plicht is reëel. Wanneer doet die plan-mer-plicht zich voor en hoe kunnen gemeenten daarmee effectief omgaan?

Omgevingsplan

Het omgevingsplan is een kaderstellend plan en mer-plichtig als het regels stelt aan activiteiten die staan genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een goed voorbeeld is de bruidsschatregel over de vergunningplicht voor warmte- en koudeopslag (wko). Voor een wko-installatie is een diepboring nodig en die activiteit staat in bijlage V (projectcode B4). Wanneer deze regel ongewijzigd (beleidsneutraal) wordt overgezet naar het omgevingsplan is het omgevingsplan kaderstellend en plan-mer-plichtig.

De gemeente heeft drie opties om hiermee effectief om te gaan:

  1. De gemeente kan bepaalde gebieden uitsluiten (verbod) voor het installeren van een wko-installatie. Bijvoorbeeld in een grondwaterbeschermingsgebied, waardoor de plan-mer-plicht vervalt.
  2. Voor gebieden waar een wko-installatie wel tot de mogelijkheden behoort, kan de gemeente met een plan-mer-beoordeling onderzoeken of er een risico is voor aanzienlijke milieugevolgen. Als milieurisico’s niet zijn uit te sluiten, is opties 3 een goed alternatief.
  3. De gemeente onderzoekt welke mogelijkheden de ondergrond biedt voor wko. Op basis van die mogelijkheden wordt een gebied opgedeeld in percelen, waarbij rekening wordt gehouden met de gewenste afstand tussen de wko-installaties. Dit is nodig om een goede werking ervan te garanderen. De vergunningplicht kan worden omgezet in algemene regels en een meldplicht.

Bij windparken en veehouderijen blijken de bruidsschatregels en milieunormen niet altijd een garantie te zijn voor een goed woon- en leefklimaat. Het ongewijzigd overnemen van de bruidsschatregels voor geluid of geur kan dan leiden tot een plan-mer-plicht. Door strengere geluids- en geurnormen of aanvullende afstandsnormen op te nemen in het omgevingsplan zijn gezondheidseffecten en een plan-mer-plicht te voorkomen.

De plan-mer-plicht kan ook het gevolg zijn van negatieve effecten voor zwaar beschermde soorten die onder de Omgevingswet vallen. Bij de verlichting van sportvelden moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van een groengebied met hoge ecologische kwaliteit. Als de sportverlichting leidt tot verstoring van het leefgebied van vleermuizen of vogels, kunnen de bruidsschatregels niet zonder meer ongewijzigd worden overgezet naar het omgevingsplan. Dan zijn aanvullende regels nodig om die te voorkomen of verminderen. Een voortoets kan uitsluitsel geven of die aanvullende regels afdoende zijn.

De meeste gemeenten kiezen voor het gebieds- of themagericht overzetten van bruidsschatregels naar het definitieve omgevingsplan. Met een plan-mer-beoordeling en/of een voortoets moet worden aangetoond dat risico’s op aanzienlijke milieugevolgen zijn uitgesloten. Door het opnemen van aanvullende regels in het omgevingsplan zijn aanzienlijke milieugevolgen te voorkomen. Een MER is dan niet nodig.

Voor wie minder bekend is met de procedure van de milieueffectrapportage kan voor de vraag komen te staan of een initiatief mer-plichtig is. Een vraag die bijvoorbeeld gesteld kan worden aan de Omgevingstafel. Wanneer is een project mer-plichtig onder de Omgevingswet?


De eerste stap is bijlage V van het Omgevingsbesluit raadplegen. In bijlage V staan vier kolommen. In kolom 1 de projecten die in aanmerking komen voor de mer-plicht (kolom 2) of mer-beoordelingsplicht (kolom 3). De projecten zijn geordend naar herkenbare categorieën (A t/m M): landbouw, industrie, infrastructuur en ruimte, waterbeheer. Wat in een enkel geval nog wel vragen kan geven, is of het initiatief voldoet aan de omschrijving van het project in kolom 1. Een goede beschrijving van het initiatief is daarom van belang.

De mer-plicht geldt voor projecten met een risico op aanzienlijke milieugevolgen. Dit zijn projecten die wat betreft omvang en/of capaciteit voldoen aan een aantal minimumvereisten. Die minimumvereisten zijn gespecificeerd in kolom 2. Als het project geringer van omvang (of capaciteit) is, dan is het project mer-beoordelingsplichtig. Voor sommige projecten (raffinaderij, metaalindustrie) is de oprichting mer-plichtig en de wijziging of uitbreiding mer-beoordelingsplichtig.

Voor mer-beoordelingsplichtige projecten is essentieel om te checken of er een wijziging of uitbreiding is van de omvang of capaciteit. Want als de omvang of capaciteit van het project niet wijzigt of toeneemt is het project niet mer-beoordelingsplichtig. Een goede beschrijving van het project is nodig om te kunnen vaststellen of er sprake is van een wijziging of uitbreiding.

Voor projecten die mer-beoordelingsplichtig zijn, moet de initiatiefnemer een zogenoemde mer-melding (voorheen aanmeldnotitie) opstellen. De mer-melding bevat een beschrijving van de kenmerken van het project, de locatie en de aard en omvang van potentiële milieueffecten. Het doel is uitsluiten dat aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Op basis van de mer-melding stelt het bevoegd gezag een mer-beoordelingsbesluit vast waarin zij motiveert dat een MER niet nodig is.

In kolom 4 staat het bestuurlijk beluit waarvoor het MER of de mer-beoordeling wordt opgesteld. Dit kan het omgevingsplan zijn, de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of een ander bestuurlijk besluit. Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten (J11) kan het bestuurlijk besluit ook een omgevingsvergunning zijn voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Het is niet meer nodig om in een aparte procedure het mer-beoordelingsbesluit vast te stellen. Het mer-beoordelingsbesluit kan als bijlage worden toegevoegd aan het omgevingsplan of de omgevingsvergunning.

Tot slot kan het primaire project nog een ander initiatief omvatten dat genoemd wordt in bijlage V. Bijvoorbeeld een stedelijk ontwikkelingsproject (J11) en het winnen van duurzame warmte met warmte- en koudeopslag (wko). Voor wko is een diepboring nodig (B4 Omgevingsbesluit). In die gevallen is het stedelijk ontwikkelingsproject een kaderstellend plan, waarvoor de plan-mer-plicht geldt. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om met een plan-mer-beoordeling te onderzoeken of er een risico bestaat op aanzienlijke milieueffecten. Als die niet kunnen worden uitgesloten, moet er een Plan-MER worden opgesteld.

Nederland moet van het gas af. Of dit gaat lukken is onzeker, want de aanleg van warmtenetten stokt. De overheid moet een veel groter deel van de aanlegkosten van warmtenetten betalen. Dat is de conclusie van een recent onderzoek naar versnelling van de warmtetransitie. Zijn alle obstakels dan weggenomen? Ik denk van niet. Gemeenten willen een meerderheidsbelang in de exploitatie van een warmtenet. Dat is tegen het zere been van de warmtebedrijven die al flink hebben geïnvesteerd in warmtenetten. Dan is er nog de verplichte aansluiting die weerstand oproept. De leveringskosten blijken flink duurder dan werd voorgespiegeld. Het vertrouwen is weg bij huurders en eigenaren.

Warmtetransitie

De maatschappelijke kosten van een warmtenet zijn volgens het eerdergenoemde onderzoek aanzienlijk lager dan wanneer individuele huishoudens een warmtepomp aanschaffen. Dat mag zo zijn, maar individuele huishoudens betalen wel de hoofdprijs. In de kosten die worden doorberekend aan huishoudens zitten namelijk ook de kosten voor het afdekken van risico’s voor de warmtebedrijven. Maatschappelijke kosten en de prijs die bewoners uiteindelijk betalen zijn verschillende zaken.

Het argument dat zonder warmtenet het elektriciteitsnet moet worden versterkt, is volgens mij ook niet houdbaar. Versterking van het lokale elektriciteitsnet is minder noodzakelijk wanneer de mogelijkheid wordt geboden om op wijk- of buurtniveau duurzaam opgewekte elektriciteit te delen. Alleen maakt de Elektriciteitswet dat helaas nog niet mogelijk.

Word het niet tijd om het achterliggende doel in het vizier te houden: terugdringen van de CO2-emissie? Het spectrum aan duurzame oplossingen is namelijk breder en gevarieerder dan de keuze tussen warmtenet of (hybride) warmtepomp.

Bewoners willen graag de regie in eigen hand houden. Ze kunnen de thermostaat iets lager zetten en bij verwarmen met infraroodpanelen of kleinschalige elektrische radiatoren. Ze kunnen koken op inductie en een boiler gebruiken voor douche- en tapwater. Heatpipes op daken kunnen ook voorzien in duurzame warmte. Bewoners die de woning of het appartement aardgasvrij maken, besparen daarmee op vastrechtkosten. Geef mensen keuzevrijheid.

Aardgasvrij maken van woningen is maatwerk, zo blijkt uit experimenten om wijken van het gas af te krijgen. Van besparen op aardgasverbruik tot aardgasvrij is een breed spectrum aan duurzame technische oplossingen beschikbaar. De warmtetransitie vraagt om een lange adem, een ‘stap-voor-stap’ aanpak. Het wordt tijd om meer te focussen op effectieve oplossingen die bijdragen aan het terugdringen van de CO2-emissie. Wie weet is waterstof op termijn ook deel van de oplossing, dus laat liggen die aardgasleidingen.

Peter van de Laak
22 augustus 2024

 

Recent ben ik benaderd voor het uitvoeren van een second opinion voor het MER Westelijke ontsluiting Tiel. Met enige regelmaat beoordeel ik MER-rapporten en ik ben vaak verrast door wat ik tegenkom. Ook dit keer.

Valkuilen MER

 

De gemeente Tiel heeft een besluit genomen over het voorkeursalternatief, namelijk het meest westelijke tracé. Dit tracé doorsnijdt het stiltegebied ‘Kil van Hurwenen’. Dat roept meteen al vragen op, want dit tracé was nog helemaal niet in beeld in de startfase van de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD). Het is als vijfde alternatief toegevoegd aan het MER-onderzoek vanwege een zienswijze op de NRD. Het MER-bureau is alleen vergeten te toetsen of het wel ‘een redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief’ is. En uitgerekend dit alternatief heeft de voorkeur van het gemeentebestuur.

De gemeente Tiel zoekt naar een alternatieve derde ontsluiting, omdat filevorming op de A15 de doorstroming van het verkeer op de bestaande ontsluitingsweg (N834) belemmert. Verbetering van de kruispunten door aanleg van (turbo)rotondes en verbreding van de wegvakken heeft beperkt effect. Verkeerslichten op het viaduct van de N384 werken als een flessenhals. In de spits ontstaan lange wachtrijen op het viaduct en zelfs daarvoor.

In 2010 heeft de gemeente Tiel een structuurvisie vastgesteld. Drie scenario’s, diverse woon- en werklocaties en bijbehorende infrastructuur zijn verkend op hun mogelijkheden. Hiervoor is toen een plan-MER opgesteld, maar de Commissie voor de mer concludeerde dat in het MER nauwelijks alternatievenonderzoek heeft plaatsgevonden. De meeste keuzes waren al gemaakt. Je zou verwachten dat het MER voor de westelijke ontsluiting die tekortkoming zou repareren. Maar dat is niet gebeurd. In plaats daarvan verwijst het MER naar de conclusies van de Structuurvisie van 2010. Maar ja, na 14 jaar is die structuurvisie wel aan actualisatie toe.

De keuze van het voorkeursalternatief blijkt vooral ingegeven door het maatschappelijk draagvlak: minder mensen die bezwaar maken. De beperkingen van dit tracé worden niet of onvoldoende in de afweging meegenomen. Het tracé is minder aantrekkelijk voor veel automobilisten door de excentrische ligging. Het creëert nieuw sluipverkeer en het ontlast slechts beperkt de verkeerstoename op de N834. Er is een beter alternatief met minder milieugevolgen en lagere kosten, maar wel met meer weerstand.

Deze casus laat twee valkuilen zien. Het MER-bureau is naar mijn idee te gemakkelijk meegegaan in de wens van de gemeente om een vijfde alternatief toe te voegen aan het MER-onderzoek. Een te geringe kritische houding tegenover de opdrachtgever kom ik wel vaker tegen. Daarnaast heeft het bureau zich in de offertefase onvoldoende verdiept in de historie, zo lijkt het. Want dan had het bureau kunnen weten dat er eerder een MER is uitgevoerd met een negatief toetsingsadvies van de Commissie voor de mer. Daar moet je dan wel iets mee doen.

Peter van de Laak
22 augustus 2024

In de Volkskrant van zaterdag 6 januari las ik het interview met Ulrike Hermann. “Het klimaat kan alleen gered worden met een oorlogseconomie”. De economie moet met vijftig procent krimpen, aldus Hermann. Ook in andere gremia vindt hierover discussie plaats onder de noemer “degrowth” of “post-growth economie”. Mij valt op dat voorstanders van economische krimp vaag blijven over hoe de transitie naar die nieuwe economie is te bereiken. Of met onrealistische voorstellen komen.

Ideeën blijven steken in wensdenken. De economie anno 2024 is niet meer die van 50 jaar geleden. Wereldwijd zijn economieën veel meer met elkaar vervlochten. Ook zijn er naast de VS en Europa andere economisch sterke machtsblokken ontstaan, zoals de BRICS-landen met o.a. China, India, Brazilië. Positief is dat we er in veel opzichten beter voor staan dan 50 jaar geleden. Kennis, innovatief en technologisch vermogen zijn enorm toegenomen en met internet verspreid nieuwe kennis zich exponentieel. Dat biedt perspectief.

Begrijp mij goed, ik vind ook dat onze wijze van produceren en consumeren onhoudbaar is. Op dezelfde weg doorgaan is geen optie. Steeds meer mensen, politici en bedrijven zijn daarvan overtuigd. Maar in mijn ogen wordt er met een pleidooi voor een krimpende economie voorbijgegaan aan de menselijke natuur en het vraagstuk van “macht”. Mensen willen niet terug naar minder, maar vooruit en beter. Wie moet de leiding nemen in de transitie naar een nieuwe economie?

De degrowth beweging wil de klimaatcrisis oplossen met krimp van vervuilende activiteiten en uitbreiding van duurzame activiteiten. Wat duurzame activiteiten zijn, is niet helemaal duidelijk. Want er is bijvoorbeeld geen geloof in technologische oplossingen, zoals investeringen in wind, zon en energieopslag. Dat leidt alleen maar tot een toename van materiaal- en energiestromen. De eco-efficiency neemt dan wel toe, maar de milieudruk neemt niet substantieel af.

Met de focus op meer of minder groei komen we niet voorbij het groeiparadigma. We moeten meer sturen op de maatschappelijke doelen die we nastreven. Zoals een rechtvaardige samenleving, verbetering van de kwaliteit van leven, gezondheid, een goede staat van de natuur, een koolstofarme economie. Deze doelen geven richting aan een handelingsperspectief. Met een bredere, maar beperkte set van indicatoren wordt het maken van evenwichtige afwegingen overzichtelijker. Ook is dan beter de balans te bewaken tussen economische vooruitgang en die andere maatschappelijke doelen.

Peter van de Laak
10 januari 2024