MER-praktijk almaar complexer (1)

De MER-praktijk is er niet eenvoudiger op geworden. De uitdijende scope van omgevingsvisies maken het MER complex. Van gemeenten wordt verwacht beleid te ontwikkelen voor diverse transitieopgaven: energie, mobiliteit, klimaat, natuur en landbouw. Transitieopgaven die met elkaar kunnen botsen of waarvoor de ruimte ontbreekt.

Afstandsnorm voor windturbines

In 2006 werd gestart met het beoordelen van milieueffecten van plannen en programma’s. In een plan-MER worden de langetermijneffecten van het plan in beeld gebracht. Langetermijneffecten die erg onzeker zijn. Want hoe snel gaat bijvoorbeeld de klimaatverandering en wanneer komen die technologische innovaties beschikbaar? Ook zijn er tweede en derde orde effecten die onbekend zijn. Het is in zekere zin kijken in een glazen bol, maar dan wel met gebruik van de kennis van nu over waarschijnlijke toekomsten.

Onzekere risico’s van transitieopgaven
Tegenwoordig gaat het niet meer alleen om de milieubeoordeling van woningbouw- en werklocaties en uitbreiding van infrastructuur. De laatste 5-10 jaar zijn er nieuwe opgaven bijgekomen, zoals locaties voor windparken, ruimte voor waterberging, duurzame mobiliteit, ondergronds bouwen. Intensivering en meervoudig gebruik van de ruimte is noodzakelijk, want niet alles kan meer overal. Die keuzes hebben implicaties voor de leefbaarheid, gezondheid en biodiversiteit. Nieuwe risico’s vragen meer aandacht:

  • Wateroverlast en overstromingsrisico’s;
  • Hittestress;
  • Slaapverstoring door laagfrequent geluid;
  • Overbelasting van het energienet;
  • Drinkwatertekorten.

Meten en beoordelen van onzekere effecten
Door verbreding van de scope van omgevingsvisies is het construeren van een onafhankelijk beoordelingskader een uitdaging op zich geworden. Voor het beoordelen van de (milieu)gevolgen van transitieopgaven zijn een groot aantal criteria nodig. Voor al die criteria moeten meetlatten worden geconstrueerd. Voor mensen die hiermee minder ervaring hebben lijkt het wel hogere wiskunde. Want hoe meet en beoordeel je objectief het effect van een windpark voor de gezondheid van omwonenden, de biodiversiteit en ruimtelijke kwaliteit? Daarvoor zijn wetenschappelijke gevalideerde modellen en relevante data nodig en die zijn niet altijd voorhanden. Zeker niet als het gaat om zachte waarden, zoals de gevolgen voor het landschap.

In het sterk gepolariseerde politieke krachtenveld worden conclusies en aanbevelingen van MER dan ook regelmatig betwist. Goede keuzes bestaan niet meer. Ik adviseer iedere gemeente om een monitor voor de fysieke leefomgeving te ontwikkelen. Een monitor werkt als een kompas. Het is essentieel om vinger aan de pols te houden, zodat kan worden bijgestuurd of ingegrepen.