Planning dilemma’s voor het gemeentelijk omgevingsplan

De Omgevingswet beoogt meer flexibiliteit en bestuurlijke afwegingsruimte te bieden met behoud van rechtszekerheid voor burgers en ondernemers. Bij de afweging tussen flexibiliteit en rechtszekerheid spelen vier dilemma’s.De Omgevingswet beoogt meer flexibiliteit en bestuurlijke afwegingsruimte te bieden met behoud van rechtszekerheid voor burgers en ondernemers. Bij de afweging tussen flexibiliteit en rechtszekerheid spelen vier dilemma’s.

1. Bescherming van omgevingswaarden in regelvrije zones

Het bestemmingsplan bevat een groot aantal gedetailleerde regels, waardoor bij gebiedsontwikkelingen de afwegingen over het behouden van omgevingswaarden en ruimte geven aan nieuwe ontwikkelingen complex kunnen zijn. De Omgevingswet gaat meer ruimte geven aan nieuwe ontwikkelingen door in het omgevingsplan minder (strakke) regels op te nemen, bijvoorbeeld door de mogelijkheid van het aanwijzen van regelvrije zones. Tegelijkertijd is er de opgave om ook in regelvrije zones bestaande omgevingswaarden te borgen, zodat deze niet in kwaliteit achteruitgaan. Welk aantal regels heb je minimaal nodig voor het borgen van bestaande omgevingswaarden? In welke mate is het wenselijk en nodig om vetocriteria te hanteren die ontwikkelingen op bepaalde locaties uitsluiten? Om die afwegingen te kunnen maken is kennis en inzicht nodig in de gebiedsgerichte milieugebruiksruimte. Kennis die niet altijd op het juiste detailniveau beschikbaar is. 

2. Uitwisselbaarheid van omgevingswaarden

In het omgevingsplan kunnen maatwerkregels worden opgenomen waarmee verschillende omgevingswaarden zorgvuldig zijn af te wegen. In de praktijk is doorgaans sprake van conflicterende waarden en belangen. Het bevoegd gezag staat dan voor het dilemma om bepaalde omgevingswaarden te prevaleren boven andere waarden. De Crisis- en herstelwet en Stad en milieubenadering bieden de mogelijkheid om tijdelijk van omgevingswaarden af te wijken. Voor de inzet van dit instrumentarium kunnen in de omgevingsvisie kaders worden gesteld. Daarbij doet zich het dilemma voor in welke mate tijdelijk verlies van omgevingswaarden nog acceptabel is. Uit oogpunt van rechtszekerheid is het nodig om relevante omgevingswaarden te monitoren en financiële middelen achter de hand te houden, zodat herstel van omgevingswaarden kan worden geborgd. De vraag is of met die voorwaarden de rechtszekerheid voldoende wordt geborgd.

3. Bewaken van de machtsbalans

De Omgevingswet schept kaders voor duurzame ontwikkeling en een goede omgevingskwaliteit. De praktijk is weerbarstig, want bij nieuwe ontwikkelingen is het borgen van omgevingswaarden niet altijd gegarandeerd. Niet alle toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen zijn te voorzien en (achteraf) gewenst. Die komen er toch omdat vooraf niet altijd duidelijk is welke ruimtelijke ontwikkelingen wel en niet acceptabel zijn. Neem bijvoorbeeld de ontwikkeling van runshopping centers aan de rand van de stad die de detailhandel in de binnenstad beconcurreren. In de ruimtelijke arena zijn er verschillende partijen actief die door coalitievorming de machtsbalans naar zich toe weten te trekken. Hoe staat het bevoegd gezag tegenover de aanvaardbaarheid van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die risico’s opleveren voor bestaande belangen en omgevingswaarden? Over de acceptatie van risico’s kan de politiek sterk van opvatting verschillen. 

4. Ruimtelijke planning door de schaalniveaus heen

De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft zorgvuldig ruimtegebruik tot doel, maar die doelstelling leidt niet per definitie tot meer ruimtelijke kwaliteit. Binnenstedelijke gebiedstransformatie draagt bij aan zorgvuldig ruimtegebruik, maar die ontwikkeling leidt mogelijk ook tot meer mobiliteit en risico’s voor een klimaatbestendige leefomgeving. Wat als de ruimte ontbreekt voor de ontwikkeling van het fiets-, ov- en groenblauwe netwerk? Is het dan niet beter om op een hoger schaalniveau te zoeken naar oplossingen voor het accommoderen van woningen en werklocaties? De Omgevingswet moet voldoende flexibiliteit bieden om bepaalde opgaven op een hoger schaalniveau op te lossen. Dat vraagt om een integrale aanpak en samenwerking tussen meerdere bevoegde gezagen (Rijk, provincie, gemeenten). Hoe dit gestalte kan krijgen en welke procedures hiervoor kunnen worden gevolgd is nog niet duidelijk.

Peter van de Laak